Nachttrein naar Brazilië

  • frankenjoyce
  • Tagged ,
  • 28/05/2016
  • De nachttrein van San José de Chiquitos naar Corumbá, net over de grens met Brazilië, vertrekt pas om 23.00 uur, maar we moeten om 10.00 uur onze kamer uit. Gelukkig mogen we onze tassen onder de trap bij de receptie kwijt en kunnen we totdat we weggaan, genieten van de tuin en het zwembad. Alle maaltijden nemen we in het bijbehorende restaurant. Het is bewolkt en zo nu en dan stort er een flinke bui omlaag, maar pas als het donker wordt, begint het een beetje fris te worden en doen we onze ‘treinkleren’ aan. Na het avondeten kijken we op de tv boven de bar naar de schitterende beelden van de serie ‘Life’ van David Attenborough. Simon en Frank spelen daarna nog even tafeltennis, totdat de door de receptie geregelde taxi ons een half uur te vroeg komt ophalen.

    In het donker lopen we onder een overkapping door, waar mensen lijken te wonen. Sommigen kijken verschrikt op en komen een beetje overeind op de houten bankjes waarop ze liggen als wij bepakt en bezakt door ‘hun huis’ het perron oplopen. Oogcontact vermijdend lopen we langs een oude koelkast en een ladenkastje naar een vrij bankje voor het stationsgebouwtje, waar we gaan zitten wachten. Er zijn twee sporen, maar er is maar één perron. Aan de overkant staat een huis met een gazen hek eromheen. De kinderen en honden, die hier blijkbaar wonen, spelen gewoon op de rails. Zelfs op dit uur! Langzaamaan wordt het drukker met mensen, die waarschijnlijk dezelfde trein moeten hebben. Sommigen hebben peuters en baby’s bij zich en dekens en nekkussentjes. Een ouder echtpaar toont belangstelling voor het kapotte lakenkastje dat naast de koelkast op het perron staat. Misschien is het te koop. Een bewaker loopt een paar keer heen en weer over het perron. Hij heeft een dikke cocawang en kijkt niet bepaald helder uit zijn ogen. Julie merkt op dat de mensen hier waarschijnlijk een andere betekenis hebben gegeven aan de gele lijn, die zo’n 50 cm van de rand over het perron loopt. Het lijkt wel alsof ze denken dat die bedoeld is om aan te geven dat ze tussen die lijn en de rand moeten lopen! Ze houden zich keurig aan die regel! Ineens luidt een stationsmedewerker, vlak naast ons bankje, een oorverdovende bel. De trein zal er zo wel aankomen en veel mensen lopen alvast zover mogelijk naar het einde van het perron. Wij volgen ze. De roestige, oranje locomotief doet ons vermoeden dat we de nacht zullen doorbrengen in een echte Boliviaanse trein! De coupé’s zitten al bomvol met mensen, die met hun gezicht tegen het raam geplakt, zitten te slapen. Als we ons dapper met onze tassen naar binnen willen persen, blijkt dat dit toch niet ónze trein is. Díe arriveert een minuut later vanuit de tegenovergestelde richting op het tweede spoor. Frank had ook al het gevoel dat we de andere kant op moesten, maar er is maar één perron en we wisten niet dat er twee treinen op dezelfde tijd vertrokken. Om in te stappen, steken we vóór de locomotief van de eerste trein de rails over, waar een conducteur onze tassen en daarna onszelf de trein in helpt te hijsen. Zachtjes lopen we langs de mensen die al in dit korte, luxe treintje zitten te slapen en installeren ons op de brede stoelen, waarvan de rugleuning een aardig stuk naar achteren kan. Wat een opluchting! We slapen aardig goed. Veel beter dan in een bus!

    Zodra het licht is, zien we een tropische, groene wildernis met palmbomen aan weerskanten van ons voorbijschieten. Je kunt hier toekans en apen spotten, weten we van 15 jaar geleden en dat geluk hebben we. Om 5.45u krijg ik van de treinbediende een mierzoete ‘cafecito’, die heerlijk smaakt zo vroeg in de ochtend. Als we rechts van ons in de verte Rio Paraguay zien, zijn we bijna in het Boliviaanse grensstadje Puerto Quijarro, waar we een taxi nemen naar het kantoortje van de douane, dat om 7.30u open gaat. Nadat Frank bij een soort copyshop wat Boliviano’s in Reals heeft gewisseld, lopen we in de regen naar één van de eettentjes in het straatje achter het douanegebouwtje om tegen betaling naar de wc te gaan. We mogen even aan een tafeltje wachten, schuilend voor de regen, maar we kunnen niets bestellen, want onze Boliviano’s zijn nu op. Als de rij voor het douanegebouwtje langer wordt, besluiten wij ook maar aan te sluiten. Jammer dat alles nat is, want we kunnen de tassen pas op de grond zetten als we het afdak hebben bereikt. Het duurt even, maar dan krijgen we ook zonder problemen onze ‘uit’-stempels, dankzij de extra stempels die we in Santa Cruz hebben gehaald, ter compensatie van de ‘tarjeta’, die we bij binnenkomst niet hadden gekregen. Anderen die ‘sin tarjeta’ zijn binnengekomen, moeten vervolgens in de rij voor de kassa.

    Corumbá
    Het was even droog, maar het begint net weer te regenen als we een brug over lopen, Corumbá in. Voor het Braziliaanse immigratiekantoor sluiten we weer aan achterin een enorme rij. Vermoeiend zo met die zware tassen! Een gepensioneerde Duitser, die getrouwd is met een Paraguayaanse, begint in het Duits een praatje met ons. Hij heeft veel gereisd toen hij jong was en spreekt een paar woordjes Nederlands. Ook twee tourverkopers van de twee verschillende hostels, die nog vanuit Corumbá Pantanal-tours aanbieden (de andere zijn naar Campo Grande verhuisd), komen met ons praten. De tweede geeft ons de tip dat we als Europeanen in de verkeerde rij staan. Binnen is een loket, waar we direct aan de beurt zijn! Van de vrolijke, verwelkomende Braziliaanse douanebeambte krijgen we een stempel voor twee maanden. Vervolgens nemen we een drukke lokale bus naar het centrum. De mensen zijn heel aardig en opgewekt. De kinderen en Frank vinden een plek achterin, maar daar kan ik met mijn tassen niet zo makkelijk komen, dus op aanwijzing van medepassagiers ga ik op een plek zitten, waar je eventueel een kinderwagen kan vastzetten, tegenover de achteruitgang. Als ik bij een volgende stop wil opstaan voor een ouder dametje, wil ze daar niets van weten. Ze heeft opvallend groen-blauwe ogen, waarmee ze me goed opneemt. Ze vraagt uit welk land we komen en als Frank van zijn buurman te horen krijgt dat we hier het best kunnen uitstappen, zeggen we gedag alsof we bekenden zijn. Wat heerlijk om weer in Brazilië te zijn!

    Het blijkt nog wel een eindje lopen te zijn naar Hostal Beija Flor. Al snel zijn we klam van het zweet. Als we langs een groen ‘Pipi Langkous’-huis komen met een veranda, denken we onze hostel van 15 jaar geleden te herkennen. Nu zit er echter een soort politiepost in. In de straat waar we moeten zijn, worden we door een enthousiaste, oudere man, die helemaal weg is van de kinderen, teruggefloten. We zijn de hostel voorbijgelopen en hij doet het hek voor ons open.

    We zijn vroeg, maar de goedlachse eigenaresse – die haar Portugees in het Engels laat vertalen door een gast uit Sao Paulo – gaat ons gelijk voor op de trappen (pfff) naar de tweede verdieping, waar we onze last kunnen afgooien in de net schoongemaakte kamer met tweepersoonbed, stapelbed en balkonnetje. Julie gaat gelijk onder de douche en Simon duikt het zwembad in, dat bij nader inzien wel erg groen is op de bodem en er ligt een dode kikker in. Na allemaal te hebben gedoucht, nemen we een late brunch bij een mooi koffierestaurant, waar er iets misgaat met de bestelling en waar we niet vinden (vooral Simon) waar we trek in hadden. Dan halen we nog maar wat bij de supermarkt en relaxen we in de tuin van het hostel. ’s Avonds eten we pizza in een Braziliaans restaurant.

    Geef een reactie

    Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *